Arts met B12 tekort

Interessant medisch artikel, recent gepubliceerd.

Een arts in Dammam, dr Ahmed Badar (zie foto: ‘in 1991, I opted for teaching (and research) as my career and stopped direct interaction with patients”) bemerkte klachten van pijn in beide armen en borstkas, en psychische klachten. Een cardioloog vond geen bijzonderheden w.b. hartfunctie of -klachten. De neuroloog deed een uitgebreid onderzoek, stelde o.a. een bilateraal (mild) carpaal tunnel syndroom vast, en kwam tot een bijzondere conclusie:

Dr. Ahmed you have very low levels of vitamin B12 (<148 pg/mL). All the other tests are normal and there is no evidence of megaloblastic anemia. Please go to the pharmacy, I have prescribed injection vitamin B12 for you. Start today, one daily for six days, followed by once weekly for four weeks and then once monthly for the rest of your life. May Allah give you a long life.”

De schrijver gaat verder: “All the symptoms including pain, numbness, and anxiety improved by the fourth injection. They completely disappeared in two weeks. They have not recurred in the last 25 months. I regularly inject myself with 1,000 µg intramuscularly monthly in the quadriceps. A few times when I delayed my monthly injection my fingers started feeling a little “different.”

Zijn conclusie als arts met een aandoening als deze is: “Vitamine B12 tekort is een frequent genegeerde oorzaak van neuropathie en psychiatrische aandoeningen”. Zelf ken ik meerdere medici met vitamine B12 tekort, bij wie de diagnose pas later gesteld werd, of die een tijdje -bij een vastgestelde B12 malabsorptie- zonder succes met orale B12 suppletie zijn behandeld.

Het volledige artikel vindt U hier: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/labs/pmc/articles/PMC8858590/

 

Dat is overigens niet het enige interessante in dit verhaal. Dr. Badar verwijst ook naar een Frans onderzoek, waarin negen patiënten worden beschreven met een zgn. vitamine B12 responsieve neuropathie; mensen met neuropathie bij wie de klachten goed reageerden op behandeling met vitamine B12 . “Serum B12 level was low in only four. Four patients had sensorimotor (predominantly sensory) axonal polyneuropathy while five had only sensory neuronopathy. Six improved in less than 1 month after B12 supplementation”. 

Dit artikel vindt U hier: https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/01616412.2019.1588490?journalCode=yner20

 

MacroB12 maskeert vitB12 tekort

In clinical practice, the finding of an elevated serum B12 concentration is often the consequence of supplementation with B12 in either oral form or injections. Also, elevated serum B12 may be associated with underlying disorders, like liver diseases or a (haematologic) malignancy. Only a few studies have shown that it may also be the consequence of complex formation of B12-vitamin binding proteins with immunoglobulins, the so-called macro-B12. We describe a young woman who previously was diagnosed with B12 deficiency, and in whom, after cessation of B12 injection treatment, neurologic symptoms re-appeared, and despite this, repeatedly elevated serum B12 concentrations above the upper limit of the assay were found. We demonstrated that this was caused by the presence of macro-B12, which not only resulted in erroneous and longstanding elevated serum B12, but also masked her underlying B12 deficiency. After restarting the B12 injections, symptoms gradually resolved over a period of 2–3 months, and injection frequency was gradually decreased to 1000 mcg intramuscularly every month.

Voor het hele artikel zie https://casereports.bmj.com/content/15/1/e247660

 

AGEs en veroudering

Mijn voordracht van 28 april 2014 over de wetenschappelijke zoektocht naar medicamenten die AGEs kunnen remmen of afbreken.

De lezing vond plaats in Amsterdam, naar aanleiding van de verschijning van het boek ‘Het anti-AGE-dieet’ van Helen Vlassara.

Nitisinone in alkaptonurie

Alkaptonuria (AKU, OMIM 203500) is a rare congenital disorder caused by a deficiency of the enzyme homogentisate-1,2,-dioxygenase. The long-term consequences of AKU are joint problems, cardiac valve abnormalities and renal problems. Landmark intervention studies with nitisinone 10 mg daily, suppressing an upstream enzyme activity, demonstrated its beneficial effects in AKU patients with established complications, which usually start to develop in the fourth decade. Lower dose of nitisinone in the range of 0.2-2 mg daily will already reduce urinary homogentisic acid (uHGA) excretion by > 90%, which may prevent AKU-related complications earlier in the course of the disease while limiting the possibility of side-effects related to the increase of plasma tyrosine levels caused by nitisinone. Future preventive studies should establish the lowest possible dose for an individual patient, the best age to start treatment and also collect evidence to which level uHGA excretion should be reduced to prevent complications.

Het volledige artikel kunt u downloaden van: https://ojrd.biomedcentral.com/track/pdf/10.1186/s13023-021-01977-0.pdf

 

 

Voorspellen van type 2 diabetes

In het zgn. Lifelines onderzoek bekeken wij een groep van potentiële risicofactoren voor het ontwikkelen van type 2 diabetes en de toepasbaarheid van deze risicofactoren in het voorspellen van type 2 diabetes in de dagelijkse praktijk.

Allereerst hebben we een omgevingsbrede associatie studiemethode (EWAS) gebruikt waarin we hebben gekeken naar de associaties tussen 134 verschillende variabelen en het ontwikkelen van type 2 diabetes. Daaruit bleken 63 variabelen significant geassocieerd te zijn met type 2 diabetes. Ondanks dat veel van deze risicofactoren al eerder omschreven zijn in de medische literatuur, vonden we -naar ons beste weten- niet eerder gerapporteerde associaties voor variabelen over kwaliteit van leven en bepaalde medicatie (bijvoorbeeld maagbeschermers, anti-astma medicijnen). De variabele HbA1c voorspelde het grootste risico op het krijgen van type 2 diabetes. Het risico wat veroorzaakt wordt door het verhogen van het HbA1c met één standaarddeviatie (+0.31%) is grofweg vergelijkbaar met een toename van 0.53 mmol/l in glucose.

Sommige variabelen zoals BMI, HDL-cholesterol en urinezuur hadden een toename van twee standaarddeviaties nodig om hetzelfde risico te voorspellen als HbA1c. De meeste andere variabelen moesten een onmogelijke hoeveelheid toenemen om tot hetzelfde risico te komen.

Nu we wisten welke individuele risicofactoren het krijgen van type 2 diabetes voorspellen, wilden we kijken welke van deze variabelen kunnen samenwerken om het risico zo goed mogelijk te voorspellen. Dit deden we door een zogenaamde Machine Learning benadering toe te passen. We zagen dat correlaties tussen risicofactoren over het algemeen bescheiden waren. De risicofactoren die sterker met elkaar correleerden hadden vaak een vergelijkbare fysiologische oorsprong (zoals BMI en buikomvang). Daarentegen waren er slechts een handvol variabelen geschikt om ziekterisico onafhankelijk van elkaar te voorspellen; de andere risicofactoren waren min of meer inwisselbaar. Dit werd bevestigd toen we de variabelen één voor één aan een model toevoegden: na in totaal vier risicofactoren was het model verzadigd. Dit betekent dat het toevoegen van andere risicofactoren niet zorgde voor een betere voorspelling van het ontwikkelen van type 2 diabetes.

Behalve glucose en HbA1c waren andere variabelen waarvoor invasieve methoden zoals bloedafname nodig zijn niet bijdragend aan het model. Naast deze twee variabelen voorspelde alleen het hebben van een positieve familiegeschiedenis voor diabetes een uniek stukje ziekte-ontwikkeling. Daarnaast zagen we dat ondanks dat een variabele al in een model was toegevoegd, de kracht van de voorspelling kon variëren op basis van de variabelen die daarna werden toegevoegd.

Het volledige onderzoek vindt u hier: https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00125-021-05419-1

 

 

Graves

Het is lange tijd de gewoonte geweest om bepaalde bevindingen bij lichamelijk onderzoek of ziekten te vernoemen naar degene, de arts of de onderzoeker die (verondersteld) de eerste was die de aandoening heeft beschreven in de medische literatuur. Zo kennen we de ziekte van Hashimoto, vernoemd naar de Japanse onderzoeker (werkzaam begin 20e eeuw in Duitsland), die als een van de eersten hierover heeft geschreven.

En het struma van Riedel. De chirurg dr. Riedel uit Jena presenteerde op een congres in Berlijn in 1896 twee mensen met deze aandoening, één van hen was door hem geopereerd in het jaar 1883 (zie mijn column in Schild december 2013, https://www.gmed.nl/riedel/).

Ook de ziekte van Graves zal de meeste lezers van deze website bekend voorkomen. Wat minder bekend is, is dat de Engelse arts Parry in 1786 de eerste was die deze aandoening heeft vermeld in de geschiedenis. Voor zover bekend is deze beschrijving echter nooit in de ‘officiële’ medische literatuur gepubliceerd. In 1802 volgde een beschrijving door de Italiaanse chirurg Flajani, tijden lang de persoonlijke arts van paus Pius VI. Volgens de overlevering zou de allereerste beschrijving van de combinatie van een vergrote schildklier en oogklachten al dateren uit de 12e eeuw, beschreven door de Perzische arts Al-Jurjani, zo’n 700 jaar eerder dan de Engelse arts Robert Graves, naar wie de aandoening uiteindelijk is vernoemd.